|
 |

Het is uiterst moeilijk om een exact verband te leggen
tussen de gedronken hoeveelheid en het alcoholgehalte. Het aantal drankjes
kan verschillen van persoon tot persoon en hangt onder meer af van je
gewicht, de snelheid waarmee je drinkt, het soort drank, of je al dan
niet hebt gegeten,...
Gemiddeld kan men echter de volgende hoeveelheid drinken
(bovenstaande factoren hebben een lichte tot aanzienlijke invloed): bij
een man van 75 kg zorgt een glas voor een bloedalcoholconcentratie van
ongeveer 0,2‰, bij een vrouw van 60 kg is dit 0,3‰. Ongeacht
het gaat om bier, wijn, aperitief of zwaardere dranken, bevat een normale
consumptie steeds ongeveer 10 gram pure alcohol:
 |
| BIER (PILS) |
WIJN |
APERITIEF |
STERKE DRANK |
| 25 cl |
10 cl |
7 cl |
3 cl (en niet 5
of 6 cl!) |
| 5° |
12,5° |
18° |
40° |
 |
De alcohol in je bloed wordt ook weer afgebroken. Dat gebeurt aan een
tempo van ongeveer 0,15‰ per uur. De afbraak gaat dus trager dan
de opname, en lapmiddeltjes zoals koffie of
suikerwater helpen daarbij geen zier.
Kortom: het is zo goed als onmogelijk de alcoholconcentratie
te bepalen door gewoon het aantal gedronken glazen op te tellen. Daarom
is het beter om helemaal niet te drinken als je moet rijden. En
wanneer je toch wenst te feesten, dan rij je niet en vertrouw je op Bob!
terug
|
 |